Im Abendrot is een zeer aandoenlijk gedicht geschreven door Joseph von Eichendorff over twee oude mensen die de voor- en tegenspoed van het leven hebben meegemaakt. Aan het eind van hun omzwervingen kijken ze met moede ogen naar de zonsondergang, alsof zij zich klaarmaken voor hun laatste reis. Richard Strauss besloot het gedicht als uitgangspunt te nemen voor het componeren van een stuk. Uiteindelijk was dit het laatste stuk voor de Vier letzte Lieder geworden. Zo waren andere gedichten ook een inspiratiebron om tot componeren over te gaan. Hij bracht ze tezamen en zette ze in de volgorde waarin ze heden ten dage worden uitgevoerd: Frühling, September, Beim Schlafengehen, Im Abendrot.

Wir sind durch Not und Freude
Gegangen Hand in Hand:
Vom Wandern ruhen wir beide
Nun überm stillen Land.

Rings sich die Täler neigen,
Es dunkelt schon die Luft,
Zwei Lerchen nur noch steigen
Nachträumend in den Duft.

Tritt her und laß sie schwirren,
Bald ist es Schlafenszeit,
Daß wir uns nicht verirren
In dieser Einsamkeit.

O weiter, stiller Friede!
So tief im Abendrot,
Wie sind wir wandermüde –
Ist dies etwa der Tod?

De Nederlandse vertaling van Im Abendrot:

Wij gingen door pijn en vreugde,
tezamen, hand in hand:
nu rusten wij van ’t zwerven
over het stille land.

Rondom hellen valleien,
en duister wordt de lucht,
twee leeuweriken klimmen,
in droom en waas gehuld.

Blijf hier, laat ze maar fladderen,
dra is het slapenstijd.
Wij willen niet verdwalen
in deze eenzaamheid;

O wijdse, stille vrede!
zo diep in ’t avondrood,
Hoe moe zijn wij van ’t zwerven –
Is dit misschien de dood?

Luisterend naar ‘Im Abendrot’ voelde ik weldra de kern van het bestaan. Wees gerust, ik geniet en leef met volle teugen! Dankbaar voor datgene dat mij lief is en dankbaar voor diegene van wie ik heb mogen houden!

Bis so weit. Bis bald,tjüß!

Stephanie